Fragment F441

F441_3836_2flkl

Ze stopt, stapt af en zet haar fiets tegen het vervallen hek. Dan kijkt ze, met haar armen leunend op het hek, gedachteloos en vermoeid over het veld. Alles had ze gegeven om zo snel mogelijk de stad uit te komen. De chaos, drukte en veelheid aan geluiden achter zich latend had ze zich rot getrapt. Haar hart klopt in haar keel, pijn en verzuring trekt door haar benen, vingertoppen en neus tintelen van inspanning. Na een paar minuten laat ze haar hoofd, met gezicht naar de grond gericht, op haar armen rusten. Ze blijft net zo lang zo staan tot haar hartslag weer normaal is en de tintelingen verdwenen zijn.

Ze kijkt naar de vele insecten die door het hoge gras krioelen. Ze bewegen snel en sommigen naar haar idee nogal inefficiënt. Na vertrek komen ze met veel bochten en heen en weer gekriebel uiteindelijk toch weer bij hetzelfde sprietje uit.

Dan kijkt ze weer op, spreidt haar armen en ademt diep in. Ze voelt hoe de warme lucht haar neus binnen gaat. De wind strijkt langs haar gezicht en laat haar haren ongecontroleerd rond haar gezicht wapperen. Ze veegt een pluk haar aan de kant en kijkt naar de zachtjes met de wind meedeinende graanhalmen in het veld. Ook hoort ze nu het zachte geruis. Het werkt rustgevend en ze sluit haar ogen. Het doet haar denken aan de zee, als je je tussen de duinen begeeft. Daar is het geluid heel anders dan aan het strand. Veel subtieler. De kust heeft altijd al een rustgevende werking op haar gehad. Opgegroeid vlakbij het strand is het een vertrouwde plek voor haar. Anders was het verder in de stad. Die voelde onveilig. Was onveilig. Het liefst ging ze zo snel mogelijk van a naar b. Of eigenlijk liever helemaal niet. Gewoon lekker thuis.

Dan schrikt ze op van een metalig geluid, kijkt opzij en ziet hoe de fiets een nieuw evenwicht vindt door half weg te zakken in het gras. Het stuur is een kwartslag gedraaid en het voorwiel steekt nu aanvallend naar voren. Even blijft ze kijken naar de fiets. Ze besluit niet te reageren en laat de fiets voor wat het is. Haar aandacht gaat weer naar het veld en de zee. Ze probeert zich voor te stellen hoe het zou zijn midden in het veld. Hoe het zou voelen om het veld te doorkruisen, op weg naar het midden. Het hoge graan langs de benen strijkend. Als zeewater wat door de stroming tegen je lijf aan drukt. Of misschien is het  helemaal niet zo idyllisch. En voelt het als een reusachtig scheermesje dat de huid prikkelend en voorzien van ontelbare krassen en sneetjes bij elke stap herinnert aan hetgeen ze voor vlucht. Daar denkt ze liever niet aan en droomt verder over het midden. Dat de wereld daar even stopt met zijn. Net als de fiets. Net nog, aangedreven door twee benen, volop in beweging en nu, achteloos en zonder enige toewijding, een beetje scheefgezakt tegen een hek aan geparkeerd is gestopt met zijn. Het is een oude fiets en daardoor niet duidelijk of hij daar net staat of al weken. Nog voor haar verstand kan ingrijpen klimt ze over het hek en begint te lopen, het veld in.

 

%d bloggers liken dit: